Andere coniferensoorten

Vergeleken met andere coniferensoorten is de taxus eigenlijk best een bijzondere plant. Natuurlijk heeft de taxus veel eigenschappen gemeen met andere coniferen. Anders zou het lastig worden om de plant als conifeer in te delen. Allereerst zijn er natuurlijk de naaldachtige bladeren, waaraan coniferen hun andere veelgebruikte naam (“naaldbomen”) danken. Dat geeft taxussen en andere coniferen een heel andere uitstraling dan een loofboom. Verder zijn de meeste coniferen het hele jaar groen. Dat maakt sommige coniferensoorten tot hele geliefde haagplanten, omdat ze op ieder moment van het jaar een dichte, formele haag vormen die voor voldoende beschutting tegen inkijk zorgt. Maar met zeshonderd verschillende coniferensoorten over de hele wereld zijn er natuurlijk altijd wel wat relevante verschillen.

Kegelvruchten

Het woord “conifeer” is afgeleid van de Latijnse woorden “conus” (kegel) en “ferre” (dragen). De naam is gebaseerd op het feit dat coniferen over het algemeen droge, kegelvormige vruchten hebben. Denk bijvoorbeeld aan dennenappels. De taxus is daar, samen met de jeneverbes, een uitzondering op. Vrouwelijke taxussen krijgen in het najaar namelijk bessen met opvallend, roodkleurig vruchtvlees. Dat maakt het ook mogelijk dat vogels helpen met de verspreiding van de zaden. Bij alle andere coniferen gebeurt de bestuiving uitsluitend via de wind. Dat vogels deze vruchten kunnen eten betekent overigens niet dat mensen dat ook kunnen. Het vruchtvlees zelf is niet giftig, maar de binnenkanten van de zaden wel. Vogels zijn in staat om de buitenkant van de zaden heel te houden, maar mensen niet. De consumptie van taxusbessen kan daarom dodelijk zijn.

Snelle groeiers

De taxus groeit zo’n 15 tot 20 centimeter per jaar. Sommige soorten, zoals de taxus media, zelfs nog iets langzamer. Voor een loofboom is dat niet snel, maar voor een conifeer al helemaal niet. Zeker niet in vergelijking met de leylandii, die in een jaar wel tachtig tot honderd centimeter groter wordt. Maar ook andere coniferen, zoals de spar, de Californische cipres, de levensboom, de watercipres en de grove den, groeien aanzienlijk sneller dan de taxus. Daar staat wel tegenover dat ze veel vaker gesnoeid moeten worden dan de taxus. Wanneer ze als haagplanten gehouden worden, moeten de snelst groeiende soorten jaarlijks wel drie tot vier keer gesnoeid worden. Dat komt ook doordat behalve de taxus geen enkele coniferenhaag zonder hem te beschadigen tot op het oude hout te snoeien is.

Schaalvormige bladeren

Zelfs op de vorm van de bladeren en het groenblijvende karakter van bestaan uitzonderingen. De levensboom, ook wel bekend als de thuja, en andere planten uit de cipressenfamilie hebben bladeren die eerder schaalvormig dan naaldvormig zijn en de lariks en de watercipres zijn niet wintergroen. Daar staat wel tegenover dat ze een hele mooie herfstkleur hebben en dat de watercipres – zoals zijn naam eigenlijk al verraadt – de enige conifeer is die ook op natte grond tot zijn recht komt.